Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kruis aan den viersprong, luisterend naar een draf van paardehoeven, dof over de zandwegen.... 't Was de herfstwind langs de stammen.

Toen kwam Fenne met haar kinderen. En ze werd sterk tegen haar droomen. Omdat naast Fenne haar geloofskracht herleefde en ze weer wist te moeten bidden en goed-doen, om zijn ziel te redden.

„Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hem verhooren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken en zal hem verheerlijken," leest Fenne, en tegelijk gaat de gangdeur open en licht Jan Berents het kleurig voorhang op. 't Lezen in de stilte hoorend blijft hij staan en slaat de oogen schijnvroom neer. Maar met het laatste vers sluit Fenne het boek, en bij het stoelgestommel en voetschuifelen, dat aanstonds loskomt, zegt hij haastig: „Heer van Delen, wat moet ik doen? 't loopt vol vluchtelingen"....

„Wat — vluchtelingen ? " hoest heer Herman,

Berents suf in bet stoppelig drinkersgezicht kijkend.

„Vannacht stonden ze al voor de gracht te schreeuwen. Nu zijn ze met hun allen terug. De brug lag neer. Zweder voorop. Die noemt het een oud recht, dat de hoorigen in 't kasteel mogen schuilen."

„Zweder!" overstemt Fenne, „dat is die paap van Otterloo."

„Maar in Godsnaam, Berents Vluchten? Schuilen? Wat

is er gaande?" roept vrouwe Catharina tegelijk.

„Ze zagen vannacht de lucht rood. Ede staat in brand. De Spanjolen zijn over den IJsel, zeggen ze! Het ijs is hun brug"

„Bij Gans dood!.... nu dringt het eerst tot heer Herman door. En hij springt op. „Daar heb je 't! Da's natuurlijk Hendrik van den Bergh, die komt spoken."

Sluiten