Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ede in brand — 't volk aan 't vluchten — Heere, Heere — de oorlog!" jammert vrouwe Catharina, en Fenne's twee oudste kinderen, die met groote oogen toekeken, beginnen te schreien.

„Ze zeggen, dat vannacht die van Eschate naar Utrecht zijn gereden, — dat in Utrecht de Prins komt met 't heele leger — 't land schijnt in rep en roer. De boeren worden gehaald, om den IJsel en den Rijn te ontijzen, 't Vrouwvolk lamenteert zonder end. Wat te doen met dat bedelpak?" Z'n grove heesche stem lalt de stove vol. Hij zelf maalt niet om 'n paar Spaansche spekken. Hij ontkruipt ze wel, aal-glad als hij is.

„Ik zal bij hen gaan," zegt Anna, reeds bij de deur.

„Wat zou je?" bitst Fenne, alleen voor haar kinderen bezorgd. „Wat moeten we hier met dat heivolk?"

,,'t Eerste is voor ons zelf en de Eaar te zorgen," schrilt vróuwe Catharina's angst. „Daar zitten we nu, Herman! Zonder eenig verweer!"

„Er staan toch twee kanonnen op zolder!" flapt I/ijsje opgewekt, „geweren ook. 'n Heele hoop kogels." Ze kijkt met schitterende oogen naar d'r vader, of ze zeggen wil: „Kom, laat ons".... om voor de pret daarboven met hem achter de affuiten te staan en te schieten. Zoo dikwijls heeft ze omgedwaald langs dit Eaarder geschut en door de schietgaten gekeken met 'een wemel van verbeeldingen in haar hoofd. Ji^ r

„Jij stil!" grauwt vader.

,,'t Best is, dat we den wagen laten inspannen en ook naar Utrecht rijden!" beslist Fenne. „Maar dan zonder getreuzel!"

„Je kunt allemaal gaan. Ik blij$!" overdreunt heer Herman. „Maak niet zoo'n misbaar over 'n paar Spanjolen, die mis-

Sluiten