Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goddank, juffer Anna!" als voelden ze zich gered nu zij er is.

„De Spanjaard komt!"

„De Veluwe open en bloot voor die roovers"....

„Onze schob vol hooi".

„Al onze hennen".... „Bij ons 't varken"....

„En de mannen naar den IJsel. Kou en kogels.... Nooit zien we ze terug."

„Straks 't dorp in brand"....

„Dan kijken ze uit Ede naar de rooie lucht bij ons"....

„Die manke loeris is weer bij de poort terug"....

„Hij zou wel op ons schieten"....

„Zeg, dat we mogen blijven, juffer Anna!"

„De Laar heeft groote schuren, Zweder."

,,'t Huis mijns vaders vele woningen."

Lijsje komt met haar kap om en reikt Anna den mantel.

„Ga jij in den stal zeggen, dat ze de schuren openzetten. ... hooi op den grond en stroowisschen voor wie willen slapen." Lijsje ijlings langs den drom en tusschen de schapen naar de knechts, die staan te grinniken om dat bedelvolk op hun plein, een neergestreken zwerm grauwe wintermusschen

Anna heeft de moeder met het krijtend borelingske den mantel omgehangen. Voor zes dagen ging ze 't wichtje doopen. Met bange dankoogen ziet de vrouw naar haar op, een lach als een pijntrek om den mond, die een klacht uitstoot.

„Dat hou je niet vol," zegt Anna, „kom mee naar de keuken"....

Dan duwt een andere moeder dadelijk haar bibberend

Sluiten