Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Van mijn bruidschat." „En dan?"

„Ik zal 't hun brengen:... Ze moeten en zullen hem loslaten."

„Jij? 'n meisje Waarom is Karei er niet!.. Niets dan

vrouwen meer"

Geen gejammer! Kom, 't geld halen haast is er!"

Vrouwe Catharina moet wel. Zoo heersqhend heeft zelf Fenne haar nooit toegesproken

Als Anna met de dukaten de haltrap afholt, het plein over, ligt haar moeder boven voor heer Herman's open geldkist nog op de knieën: „Jezus, Maria.... weest hem genadig".. Star zien haar oogen naar iets onzichtbaars aan de zoldering boven den bedhemel.

□ • □■ □

Op 't voorhof hoort Anna van achter de strak gesloten schuurpoort een vlaag van deunende stemmen, en in de stilte

daarna den voorbidder: „Glorie zij den Vader" de stem

van Zweder. Even houdt ze den stap in, zint luisterend, of ze hem zal roepen tot geleider, om bij dié soldaten niet alleen te zijn. Maar haastiger gaat ze voort. „Laat ze bidden, dat is genoeg." En hun Onze-Vader stuwt haar als een sterke wind en jaagt een nooit gekenden moed in haar op. Ze weet niet, dat

ze loopt, ze is weg van zich zelf en van de aarde Geroepen

tot dit! Het allermoeihjkste — en tóch kan ze — een daad, die haar in voor-bedenkeng vol angst en beven zou hebben afgeschrikt,— en nu is ze sterk en bhj! „Want U, o God, offer ik me zelve voor allen die me lief zijn — voor hun zielenheil —

voor 't hunne en 't zijne" Ze weet zeker dat haar gang niet

vergeefsch zal zijn, al zal 't haar zelf misschien vernietigen. Maar wat telt het eigene?

Sluiten