Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ze meent het toch goed."

„'k Ben bang voor haar en d'r Bijbel."

„Bang? Gods woord...."

„Daarom, 't Is aan mij verknoeid 't Is me te machtig.

Zoo'n ruige ever als ik — wat die noodig heeft, is een schrobbeering en een stoot in z'n rug nu en dan. Of iets dat z'n tranen doet loskomen. Zooals dien laatsten morgen. Kind, kind, wat heb je toch voor me gedaan!...."

„Zie nu liever te slapen, vader...."

,,'k Wil maar zeggen, dat het Licht en de Waarheid zoo van buiten af voor iemand als mij net genoeg zijn. Ik sta er niet in. Ik ben geen echte voor Gods aanschijn."

„Zoo zijn we immers allemaal, vader — de kracht is niet

uit ons, maar uit God Toe, ga nu liggen — 't dek over

de schouders. U rilt en klappertandt."

Gedwee laat hij met zich doen. Maar z'n oogen vol onrust blijven open. Anna zit roerloos op haar bankje en staart van hem weg de kamer in. De zon, door de sneeuwvelden en de blauwe lucht weerstraald, schijnt door de vensters, laat de spiegelende vloermatten glinsteren en heldert van de witte wanden, milder en warmer, alsof voor 't eerst het voorjaar komt aanlichten

„Zeg jij me 'ns," schrikt d'r vaders stem haar op, „wat dunkt je: Heb ik de eeuwige zaligheid verspeeld met die nieuwe leer?".

„Toch niet, zou ik hopen," ontwijkt ze. „Als u te goeder trouw meent daar Gods waarheid te vinden"

„Te goeder .trouw ? Ja 't voordeel. De eer en het aanzien daar"....

Dan ligt hij te zwijgen, wimpers neer. Ontrust ziet Anna twee pijnlijk trage tranen langs z'n bolbleek gezicht in den

Sluiten