Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de twee, die blij en moedig uitkomst en oplossing vinden,

alsof er geen bezwaren wegen, geen gevaar dreigt

„Nu moet ik gaan," bezint Anna, „ik wil vóór den nacht terug zijn."

„Deel eerst ons middagstick," noodt heer Marten, en Elbert biedt haar van 't brood en de melk, die op de tafel tusschen de boeken staan. „Weidsch onthaal vind je hier niet."

„Gezond na den verren weg."

„Dien je niet te voet en alleen terug moogt gaan.... We zullen samen te paard."

„Nee", bromt heer Marten, „jij, Elbert, rijdt straks immers naar Reede. Eaat mij uw geleider zijn, jonkvrouw van Delen."

„Zou ik 't me zelve ooit vergeven, 'n bedaagd man als u op te jagen uit z'n warme kamer de smeltende sneeuw in?"

Geen nood! Sinds dagen snak ik naar een rit. Nu móét het. En zie me niet voor zoo oud aan!"

Elbert is verwonderd over z'n vaders spraakzaamheid. „We zullen met ons tweeën".... oppert hij blijhartig. 't Samenzijn met Anna zal hij zich niet laten ontnemen, al kost het hem straks een nachtrit door het onveilige land. ■

„Drie rijpaarden zijn er niet meer op stal.... en daarbij, de Cannenborg kan in deze dagen niet zonder heer. Jij dus bier, tot ik terug ben, en ik hier, als jij den priester zoekt."

Elbert weet alleen nog bij het afscheid te zeggen, hoe dankbaar bij is, dat Anna naar hen kwam om hulp

„Zou ik met weten, waar m'n echte vrienden wonen?"

Als hij de brug neerlaat, wacht Daam reeds met de paarden op het plein. De schimmel heeft een dameszadel.

Anna voelt zich rustig naast heer Marten. Ze draven voort. De sneeuw klontert op onder de hoeven, 't Duistert.

Sluiten