Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze spreken nu en dan een los woord, heer Marten alleen ten antwoord op haar zeggen of vragen.

Voor de Laar stijgt ze af. Hij zal den schimmel mee laten terugdraven. Ze zoekt dankwoorden, terwijl ze hem den teugel overreikt. Hij zegt: „Bid voor den nood van de Cannenborgers. 't Blijkt dat God naar uw bidden hoort. Ik hoop er op."

Ze knikt hem dankbaar toe. „Zou ik niet?" en mijmert: „Altijd immers bid ik voor wat hij nu vraagt. Alles wat ik doe en bid, is voor den éénen, aan wien hij en ik in dit oogenblik denken"....

Ze wil zich afwenden na haar groet — als ze ineens allebei verstomd naar de poort kijken. Die is wijd open, en de brug ligt neer. 'n Lichtschijn valt uit het deurvak van de wachterswoning, langs een groote uitgedoofde lantaarn, die schaduwt midden in den poortboog onder het in hardsteen gebeitelde Delensche wapen.

„Die hangt daar nooit." ontstelt Anna, „dat is ja, dat

is de graflantaarn."

„Waarom zoo schrikken?"

„Jezus, barmhartigheid," prevelt ze. „Ik voel 't, heer Marten ik weet het zeker, 't is voor vader."

„Zal ik mee binnengaan?" overwint heer Marten zich-zelf.

Op het voorplein woelt het dooreen, de Laarder dienaren, de Otterloosche vluchtelingen, schaduwen die naar 't huis opdringen. „God hebbe z'n ziel" klaagt een van de vrouwen

„toch was hij een goede heer voor ons ons.allen heeft hij

opgenomen in z'n huis."

„Gestorven?" vraagt Anna aan een der knechts, die haar verbijsterd aanstaart zonder te antwoorden. „Zeg 't me toch"....

Sluiten