Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI

DUIZELIG van zon en zee na z'n dollen draf langs het strand en de duinen over, komt Hendrik midden in den morgen langs den diep doorgroefden zandweg uit de bosschen terug. Nu hij over de neergelaten valbrug het omgrachte maar wallooze Den Haag binnenrijdt, herinnert hem het klokgelui weer voor 't eerst, hoe ze gisteren tegen den avond in pralen den ruiterstoet om den Stadhouder heen, de stad binnentrokken, enkel voor het feest van vandaag! Ze zijn uit het veldkamp in het land van Waes hierheen gekomen om den kleinen Prins te doopen!

In de straten moet hij z'n paard inhouden, en de eene hand in de zij, in de andere den teugel stram, vordert hij stapvoets door hei nieuwe kermisgeruisch.

De zon van den eersten Juli doomt zomergoud over den bonten wemel tusschen de huizen. Maar nu hij het Binnenhof nadert, wordt de voortschuifelande drom kijkers en vreemdelingen, wagens vol en, ruiters op muilezels en ploegpaarden, — de tros vierders uit dorp en stad achter de afgezanten van de Amsterdamsche en Dïlftsche magistraat, die tot peetvaders gekozen zijn over den jonggeborene, — een stoet, die traag de enge poort binnenpuilt en waartusschen hij als Staatsch kolonel raar verdoold is. Dicht langs den kant dringt hij z'n paard tusschen*de stoepen, waar de voetknechten in 't gelid voor hem hun lans naast den voet planten, en de slenteraars verschrikt opeenstuwen.

Kleurig is het Binnenhof door dit druk gewoel, waartusschen de ridderzaal herleefd staat, de gevels gesierd met tro-

Sluiten