Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

peeën en beletterde schilden, die den krijgsroem der eerste Oranjes verkondigen; hun blazoenen met die van Nassau, Coligny en Solms, naast den Hollandschen leeuw en den Haagschen ooievaar boven vensters en poort; op de torens de stedelijki en stadhouderlijke banderollen. Bevlagd en bezond viert deze burcht uit een verloren tijd, met alle hooge en lage huizingen om het plein heen — hof en kapel, raadszaal en comptoren, goudsmidshuis en winkeltjes, — het eerste feest mede van het stadhouderskind, dat voor het volk een kroonprins is!

Ligt het aan zijn oud Geldersch bloed, dat Isendoorn wrevüt tegen dat Hollandsen koninkje? Hij wil geen reden zoeken. Hij wil wrevel en wroeten afkeren, als zooveel.

En na de zwaarmoedigheid, waarin hij als eiken ochtend ontwaakte, dravend door den zomermorgen, ontvlucht te zijn als een nacht, weert hij zich tegen nieuwe ontstemming, over het gedrang, door in het leege Buitenhof den teugel te vieren en spoorslags vooruit te schieten door de Gevangenpoort, het schavot van het Groene Zoodje voorbij, langs den Vijverberg het Voorhout op. Daar staat achter dé kermiskramen en de lindedreef van Karei den Stouten zijn huis, nieuw gebouwd, met drie verdiepingen rijzig op naar de rijk bebeeldhöuwde gevelpunt, die, boven het hoogste beluikte kruisraam, in z'n krullende omHjsting het wapen der Isendoorns sluit, met de kroon, de twee fakkels en den staanden leeuw tot helmteeken.

Na z'n veerenden sprong uit het zadel, laat hij het paard aan den toeschietenden knaap over, dien hij beveelt het in statie opgetuigd opnieuw voor te brengen binnen het uur.

Dan neemt de hal hem in haar koele stilte op. Ruim en sonoor met haar blauw- en witmarmerruiten-vloer en blanke

Sluiten