Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

monstert, wordt hij weer wakker uit vaag gemijmer. Zelfbehaaglijk ziet hij hoe goed hem 't zilverlaken en zilverdamast kleedt, 't Wambuis, met wit satijnen morisken doorponsd en aan hals en polsen belegd met ragge kanten, maakt z'n gelaatstint

matter Opmerkzaam ineens blijft hij z'n beeld in 't glas

bestaren. Dus heeft hij 't Rossemsche ruwe verloren. De eenige rest er van is de vaal-rosse sjerp als degenstrik aan zijn met parels en zilverknoppen bezetten porte-épée. Is het na Maarten, nu Chatillon? Laat alleen 't Fransche blijven, 't Getaande en verweerde, dat de Duitsche strooptochten hem gaven, is vergaan in een doffe, even doorbruinde bleekheid, die welstaat bij het donker neergolvend haar. Verlengd hjkt z'n hoofd uitgegroeid, het voorhoofd brozer gewelfd, de oogen donkerder verzonken, nu slapen en wangen inslaan en de trekken zich verdiepen. Er is van den onbehouwen landjonker, die zich spiegelde dien laatsten en eersten morgen, evenmin iets over als van den dollen zwerver door den oorlog.... Z'n forschheid gaat inboeten voor fijnheid. Bewust wil hij immers ook niets anders meer zijn dan een heiden, die het levensfeest uitviert in schoonheidslust. Want alleen in een duizel van zinsbekoring kan hij voort, van uur tot uur de dagen door.

De nevelgrijze mantel en de breedgerande hoed met de overhangende struispluimen veranderen hem nogeens. Maar hij heeft zich van den spiegel en uit z'n zelfbeschouwing losgerukt. Al bhjft hij verstrooid voortmijmeren, te paard door de straten tot het Binnenhof.... Daar moet hij zich voegen bij den stoet, die zich reeds in beweging stelt, en dien hij, van waar hij terzijde wacht, verrast overziet.

Voorop de tamboers der Haagsche schutterij, die hun keteltrommen roffelen. Diep blauw als de zomerhemel waait

Sluiten