Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O hoe salig is 't te duycken

Onder den Oranjeboom

Bij een kristallijnen stroom,

Gouden appelen te pluycken

En te ruycken geur en lucht

Van die schoone Oranjevrucht." —

maar nu Van der Nat, oud-kapitein van Maurits en tafelschuimer van Frederik Hendrik's kolonels, met z'n vervoosde bariton de tweede strofe* wil inzetten, slaat het kwalijk bedwongen rumoeren der wijn-verhitte eters weer uit:

„Genoeg, genoeg!" — „Spaar ons." — „Meilied — kwijllied!" — „We raden de rest." — „Ze mogen 't in Amsterdam zélf zingen."

„Wees blij, dat ik't dertig deuntje meebracht!" gromt de zanger, wien het perkamenten blad in de vingers trilt.... „Isendoorn, zeg op, is 'tniet om Oranje te vieren, dat je ons noodigde? De hoorde tot nu toe niets dan toosten op gastheer en gasten, op den kok en de pasteien"

„Nou ja" meesmuilt Hendrik met een loom handgebaar de teleurgestelde geestdrift van z'n oudsten gast tegelijk dempend en vergoelijkend.

„We zijn zat van Oranje, sinds we twee uren achter den zuigeling paradeerden!" roept Karei van Delen.

„We blieven 'n braakmiddel tegen Oranje

,,'n Galharde d'Espagne," weet de gepoeierde markies van Mompoiüian, Gasconjer in Staatschen dienst.

„Spaansch — ja." —

„Spaansche Oranjes voor Haagsche!" joolt vaandrig Droste, een der met geconfijte oranjeappels bestapelde schalen naar zich toetrekkend, en hij begint er Mompoulian en Van der

Sluiten