Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu zitten zehunhart te luchten aan de tafelburen. Die troosten Van der Nat: „Stil maar! Hij is jaloersch op de gouden doos met de achtduizend rente, die 't koninkje pas van de Provincies kreeg."

„Ze mogen allebei de hand ophouden om 'n penning van de acht gouden rijders, die *t koninkje onder de stadsarmen verdeden laat," wordt er aan 't tafel-end gemompeld. „Komnkhjker in 't krijgen dan in 't geven". „Begint z'n leven zonder doopmaal."

„Maken ze hem doof met hun kanonnen"

„Blind vanavond met hun vuurwerk"

Ordelijk om de tafel zitten ze allen gebukt over de malsch glimmende bouten, gulzig of ze bij dit laatste gerecht nog uitgehongerd zijn, vingers en smakkende lippen druipen van vet. Ze kluiven de beentjes blank verzinken tot smullend zwijgen. En de muziek uit de hal wordt hoorbaar — violen fluiten clavecordes^die droomerig de gevraagde Spaansché galharde spelen.

't Is de jonge Droste, die 't eerst met de handvaag langs z'n snorren strijkt, en dan wakker opspringt met z'n volle bokaal in de hand.

„Heer van Isendoorn, duld dat uw onwaardige vaandrig door uw gulle genade aan dezen disch genoodigd, u toespreekt! Weet dat het met alleen om uw treffelijke kapuinen is, dat ik trotsch ben m uw regiment te dienen! Laat me u huldigen roemvolle nazaat van den roemruchten Rossem.... Bijna honderd jaar is het geleden, dat maarschalk Maarten met de vliegende Geldersche vaandels het vlek Den Haag bestormde. ... Vuurwerk maakte zijn plunderende troep van de Haagsche huizen. De held baande ons den weg naar dit festijn! Want zonder Maarten was er niet deze Isendoorn

Sluiten