Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij!"

„Isendoorn en Rossem één"....

„De naam van den éénen klonk door den ander de Duitsche landen door!" vaart Kniphuysen op in plotse vervoering. „Ik was er bij I Rossem, de held, de rechterhand, de linkerarm van vorst Christiaan."

„Niet over je vorst Christiaan, Knip!"

„Die heeft afgedaan sinds Nahaus"

„Zeg: sinds hij in 't hospitaal van Wolfenbüttel crepeerde," overtroeft er een van 't ondereind.

„Wat?"

„Vergiftigd! Hebben jullie dat nieuws niet gehoord? Sinds eergister is 't in Den Haag"

Als een koude tocht vlaagt er ineens een stilte door de zaal omdat allen ontsteld naar Isendoorn zien, die nog staandé voor z'n toost, bleek blijft staren naar iets onbestemds buiten het venster, aanstonds echter het zwijgen en kijken merkt, en met een verwarden lach het hoofd ontbloot. Requiescat in face mompelt hij, tegelijk verwonderd hoe hem dit woord één met 'n bittere, bevende pijn uit het diepste van z'n hart opwelt.

Maar gelukkig — ze hebben z'n geprevelde Roomsche rouwbede niet verstaan, hun stemmen joelen weer op....

„Ze waren vrinden, — hebben jarenlang samen gedold. — Eigenlijk 'n prachtkerel die Brunswijker.... Eéns de hoop van de Staten.... Tot ze merkten wat 'n woestaard hij was.... Zn troep een rooversbende.... Ze zeggen dat hij om de koningin van Bohemen op holraakte. — Die zal geen traan om hem laten. — Al droeg hij jarenlang haar handschoen bij de pluim op z'n hoed. — 't Vorig jaar nog hier. Daarna 't stift Keulen geplunderd en gebrandschat. Met Mansfelt.... Vandaag schatrijk, morgen doodarm."

Sluiten