Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,,'n Duivel, die ons meesleepte" komt Kniphuysen weer los. „Isendoorn, zeg op — werden we niet eerst vrije mannen na Nahuijs."

„Vrije mannen!" hoont Hendrik hem en zich zelf.

„Zorgan jullie, dat hij je niet verder meesleept."

„De hel is diep."

„En 't vuur al te heet."

„Ze poken 't voor jullie al op"....

„Ze draaien je aan 't spit als kapuinen."

„En bedruipen je met het menschenbloed dat je vergoot."

„Stilte!" roept Isendoorn heesch. „Ik wijd dezen dronk aan de nagedachtenis van mijn vriend Christiaan. God hebbe zijn ziel.!"

„Wat ben jij godzalig, kerel Op den preekstoel hoor

je thuis"....

„Dood doet aan dood denken."

„We kunnen met de dooden niet leven!"

„Mooi zoo, bravissimo, droge Van der Nat. Je bent even ervaren in den bijbel als in de dichtkunst."

O edele goe Bacherach, O soete Pergernijn! O Avignack, o Frontignack, O soet Muskatenwijn!

komt Van Maeren los met de leege drinkschaal omhoog in z'n schuddende hand. De schaterlach die opdavert om z'n

lodderige stem, doet hem weer neerwankelen op z'n stoel

Maar de anderen bauwen hem 't lied na, terwijl de lakeien de taarten en de mustachiool ronddienen, schalen aandragen vol nieuwe vruchten en confituren, en de schenkers aanhoudend de zilveren kannen uit de koelbakken diepen om de bokalen

Sluiten