Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de schouw, is de slappe Van Maeren, languit op den grond voorover, de armen uitgestrekt naar den plooikraag, dien hij er neergooide.... Gestruikeld hgt hij daar z'n roes uit te ronken.... Hendrik stoof: hem aan met den voet. En als de snorker 't niet voelt, wendt hij zich weg om hem niet meer te zien,... Maar aan het venster slaat de lucht van de kermis weer naar hem op.... rooddoorwalmd avondduister nu met het lallend rumoeren, dof als uit een poel.... Waarheen, hij ? Buiten walgt 't hem, binnen stoot de weerzin hem weg

Maar de klok van Sint-Jacob's toren begint opnieuw te luiden voor het Prinsje, en van uit het Binnenhof schieten de eerste vuurpijlen de lucht in naar de sterren.

Wat bekroop hem straks in de kerk ?. 't Verwijt van z'n

somber geweten? Weemoed? Eevenszatheid ? De Vogelhegge heeft hij verpand. En het heimwee er naar knaagt aan z'n ziel... Z'n leven heeft hij verloren, en toch moet hij van dezen dag weer naar den volgenden.... Tot in z'n slaapkamer is hij gedwaald. Daar is het koel en donker. Daar zit hij weggewischt in z'n stoel bij het open venster. Uit den tuin suizelt de rozendoorgeurde stilte aan, en streelt over z'n gesloten oogen. Requiescat in face prevelt hij weer. Want hij wil nu alleen nog aan den Cannenborg denken, aan z'n moeder, aan 't kind dat hij was.... Misschien is er rust in die herinnering, tot hij van uitputting zal slapen.

Sluiten