Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII

p\E zandlooper is leeg, en Elbert, die z'n vader de hand ziet L' uitstrekken om hem om te keeren, sluit de Imitatio. „Zullen we gaan ?" voorkomt hij het zwijgend hoofdwenken, dat — sinds twee maanden geleden de Spanjaarden en de Keizerlijken, van Duitschland uit, de Veluwe overstroomden — hem eiken morgen op dit oogenblik opeischt, voor den Cannenborg.

Maar 't helpt niet, of hij vandaag ook al luchtig zich leenen wil tot wat hem anders telkens een moeielijke zelfoverwinning kost. Hetzelfde wee, tegenzin en deernis tegelijk, welt hem uit het hart, een benauwenis naar z'n keel en een verslapping door z'n leden, nu hij achter den stuntelenden ouden man voet voor voet, de trap opgaat. En 't is als iederen dag: boven in het duisterig traphokje vóór dë zolderdeur, staat heer Marten tegen den muur geleund, oogen dicht, lippen open, hijgend naar adem, — terwijl Elbert zich afvraagt of hij waakt of droomt, nu hij weer het kuras en het zwaard aangespt, die hier in den hoek voor hem gereed hangen.

Maar uit de diepte van het huis gonst en zwoelt de onrust van de gevluchte landlieden, die als vóór vijf jaar bij den Veluwschen vastenavond, weer de kelders bevolken met al het vee uit de Cannenborgsche weien. En stemmen en stappen rumoeren op de zolders naast hen. — Er is dus meer dan droom en verdwazing, niet enkel meer de ban, die na de vleug van hoop, opgeleefd bij Anna's verhaal over haar vaders wensch tot bekeering, duisterder dan ooit over 't huis kwam Want Hendrik keerde niet. Hendrik leefde vlakbij

Sluiten