Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weer staat heer Marten aan den mond van 't kanon geleund door het opgehaalde luik naar het bosch aan den overkant te staren, waar de Septemberzon schuine stralen nevelt * tusschen de boomkruinen. Achter hem heeft Elbert'zich wachtend op de affuit gezet, z'n vingers strijken over de letters tusschen de gegoten rankversiersels: „Vredelandt ben ick gênant," staat er. Eén voor één streelt hij de letters. Hij ' hoort buiten een houtduif koeren, ziet een neerhangenden olmtak zachtjes heen en weer bewegen Eerst als de verveling van het doelloos uitkijken hem al te klemmend wordt, zegt hij dof: „Hij komt immers toch niet, vader!"

Verschrikt ziet heer Marten hem aan: „Hoe weet je dat?" en weer voelt Elbert in dien schichtigen wanhoopsblik, dat hij niet aan den Spanjaard, maar aan Hendrik dacht.

„Wat zouden ze zich ophouden bij 'n huis als dit?" praat hij het misverstand weg, „Amersfoort hebben ze, uit het Sticht willen ze Holland in, om de Staatsche krijgsmacht weg te trekken voor Den Bosch, en die te verdeelen en te breken."

„Den Bosch, ja, — waar anders? — Misschien als ze terugtrekken"

En Elbert zwijgt maar weer, onzeker toch: wat weten zij, in hun eenzame vesting opgesloten, van wat er omgaat in de landen, die naar den Cannenborg ë^kel doodsche stilte opstuwen? Hier waar niets is dan de tak die beweegt, de duif die koert

Maar plots schrikt hij wakker uit z'n verdrietigen twijfel

Was dat een trompetschal? Toch waarlijk? Meteen is er gestommel en geroep op den zolder, en dan Daam's ontdaan gezicht door de torendeur: „Toch nog de Spanjaard! Wat nu?"

„Schieten!" schokt heer Marten op.

Sluiten