Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Niets dan 'n trompetter met nog 'n ruiter."

„Schiet! De Cannenborgers zijn geen verraders van 't land, al zijn ze paapsch."

„Schieten op twee man? Misschien hebben ze alleen iets te vragen."

„Laat ons zelf zien, vader. Kom mee." Kalm en krachtig voelt Elbert zich, nu eindelijk een daad hem roept. Een einde of een begin ? Iets tenminste dat de stilte opstoot en den ban breekt. Want vaster en krachtiger is ook de stap van z'n vader, sneller, nu ze over den zolder gaan, waar de mannen vonken uit de vuursteenen ketsen om de lonten aan te steken.

Met hun tweeën komen ze voor 't raam in den vuurtoren boven de poort. En ten derde male schettert de trompet dringend en schel. Nu Elbert het raam openrukt, ziet hij daar in de zon twee ruiters, waarvan de een, 'n vaandrig, hen groet en hen in 't Duitsch over de gracht toeroept om gehoor in naam van keizer en koning.

„Spreek," roept heer Marten terug. En Elbert schrikt van den harden duw, die hem op zij stoot en van die plots herleefde kracht in z'n stem.

„Onze kommandant, graaf Jan van Nassau, wil hier kwartier."

„Dit huis is niet open voor de vijanden van de Vereenigde Provinciën!" schalt heer Marten terug.

„Wat niet goedschiks wordt gegeven, wordt met geweld genomen."

„De Cannenborg kan zich verdedigen."

„We komen met twee vendels en kanonnen."

„Het huis is bewapend."

'n Spotlach is het laatste, en Elbert ziet verward naar z'n vader, die hem stug toeknikt: „Zoo moet het."

Sluiten