Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Staatsche verdrukking, moet uit staatsplicht de vijand zijn van hem, die de ontrouw van z'n vader herstelt door zijn bekeering. Verward bedwingt heer Marten de opwelling, die hem zou laten toenaderen en handreiken. Hij wendt zonder weergroet het hoofd af naar den wagen, — Daam en Elbert steunen hem bij 't instijgen — achter hem stapelen de knechts kisten en zakken. En ook de tweede wagen wordt beladen. Daam's vrouw en de oudsten uit den kelder klimmen er op en gebruiken de koffers tot zitbank.

Van z'n paard overziet Elbert den stoet, die zich zoo armzahg opstelt tusschen de rijen karabiniers en ruiters, wier stormkappen en kurassen schitteren in de zon, en uit wier lansen en vuurroeren stralen schieten.... Stil en strak kijken ze toe, in bedwang gehouden door de kleine groep waarvan graaf Jan, geharnast en gehelmd, het schitterend middelpunt is, kapiteins en vaandrigs om hem heen, 'n paar edelen, waarvan de een in z'n zwartlaken mantel en met den breedgeluifelden vilthoed in z'n bleeken ernst een priester lijkt.

Vier Duitsche ruiters, twee aan 't hoofd, twee aan 't eind, zullen de schare vrijgeleide geven tot het Eoo, en als ze nu voorttrekken door de boschlaan, de schommelende wagens, de opeengestuwde voetgangers, — meest vrouwen en kinderen, daar de Veluwsche mannen sinds het voorjaar aan 't graven zijn in de verschansingen bij Den Bosch — de drijvers met hpt vee achteraan — licht Elbert den hoed om de veroveraars van hun huis te groeten, en zonder meer naar den Cannenborg om te zien, rijdt hij naast den wagen van z'n vader op. „Ze zullen er zich niet voorgoed nestelen, vader," troost hij. „Als de Staatschen Den Bosch hebben, krijgen wij den Cannenborg terug.... En 't zou me niet verwonderen dat er iets

Sluiten