Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roert in Oosten of Zuiden, nu graaf Jan met z'n troepen

blijkbaar terugtrekt Weken lang bleven we zonder tijding

— er kan veel zijn omgegaan."

„We zullen 't hooren," mompelt heer Marten dof, zonder op te zien. Maar als Elbert, die vooruit zal rijden naar het Eoo om hun komst aan te kondigen, hem voorzichtig polsen wil of hij gerust zal zijn zonder hem, heft hij de hand

en wijst hem weg „Ga!" — Het is 't koele, heerschen-

de en geringschattende gebaar, dat vroeger zoo dikwijls z'n koppigheid en z'n machtelooze drift wekte. Nu bijt hij

de tanden opeen en geeft z'n paard de sporen Zijn schuld

dat z'n vader op dien wagen zit als een beroofd balling? Is in dat oude trotsche hart, jarenlang ontkracht, nu weer dat eeuwig verwijt tegen hém herleefd? Toch laf en zwak hij.... ?"

'n Snik stoot in hem op — wat doet hij met 't leven?

Achter hem de nevel, voor hem de leegte

Van de hei, die zich links en rechts blauwend uitstrekt naar de grenzenlooze verte, tuurt hij weg naar 't Eoosche bosch vóór hem, dat verzonken aan de kim een goud-doomende schaduw hjkt in de klaarten.

° . „ D □

„ t Is Elbert!" Zelf gerustgesteld, wenkt Anna bedarend

naar binnen. Ze heeft op 't wee en ach van haar moeder

bij het naderen van dien ruiter tusschen de stammen, het

erkervenster opengeworpen om zich te overtuigen van wat

ze bij den eersten oogopslag raadde.

Nu ze blijft uitleunen, komt aanstonds Eijsje over haar schouder heen, om den aankomendemethandgewuiftegroeten.

„Ut o m n e s u n u m!" roept Elbert over de gracht naar Anna, het parool dat ze vijf jaar geleden vergeefs afspraken.

Sluiten