Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En tegelijk Lijsje herkennend in die zonnig lachende achttienjarige, zoo blond ën jong naast ernstige Anna, vraagt hij, zelf bhj ineens het doel van z'n komst vergeten:

„Hoe in 's hemels naam komen de jonkvrouwen van de Laar aan het Loosche venster?"

„En hoe komt de jonker van den Cannenborg zoo strijdhaftig met kuras en zijdgeweer het Loo schrik aanjagen?" echoot Lijsje hoog en helder 't roerlooze Septemberbosch in.

„Het Loo zal opzien van de tijding, die ik breng, en van m'n gevolg, dat nu op komst is. Vraag toegang voor me, Anna."

Opgelucht, nu er eindelijk eens iets anders is dan eiken eentonigen angstfgen dag, blijft Lijsje nog in den erker leunen, als Anna gaat om Dirk Stepraedt, den slotheer, te waarschuwen. Elbert rijdt langs het lichtend water naar de brug, die langzaam wordt neergelaten. Bevende goudstralett spinnen zich uit Elbert's glanzend pantser naar Lijsjes

oogen. Haar en Anna's vriend! Zij was nog een kind toen

haar hand zich zoo veilig voelde in zijn vasten warmen greep, en ze in hém het weten raadde, waarnaar reeds toen haar ziel hongerde

„Moeder," keert ze zich plots naar binnen, „ik wed dat

Elbert ons goede tijding komt brengen Zeker trekken de

Spanjolen terug over de oostgrens, nu Wesel is gevallen,

zooals Dirk zegt Misschien is de heele oorlog over. — Den

Bosch genomen. En dan Goddank voor U.... Uw onrust voor Karei en ons en u zelf weer weg." — Ze buigt over de leuning van den zetel, waarin vrouwe Catharina lusteloos neerzit, en drukteen speelschen kus op het grijzendhaar. „Weet u wel dat t bijna twee maanden is, sinds we hier met den wagen vol koffers en kisten bij Sofie en Dirk een toevlucht zochten. Ik verlang naar de Laar terug."

Sluiten