Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verbijsterd blijven de anderen hem vragend aanzien.

ja _ 't is waar. Een uur geleden is dit op 't plein voor ons huis onderteekend en bezegeld door den zoon van den vroegeren Gelderschen stadhouder, Jan van Nassau, onzen nieuwen geloofsgenoot. — Hij en z'n vendels hebben ons huis ingenomen, en als uitgedrevene kom ik hier onderdak vragen voor m'n vader en mij en voor 'n heelen stoet dienstvolk en vluchtelingen'*.

„Welkom allen!" zegt Sofie opspringend, „onze zolders en kelders hebben ruimte genoeg."

„We zullen ze tegemoet rijden, Elbert," bezint Stepraedt.

„En laat ons naar de riddelzaal gaan, om de Cannenborgsche heeren, die hun huis voor het onze offerden, waardig te ontvangen," zegt Sofie. Vrouwe Catharina is als bevrijd van een zwareh druk opgerezen. „Dus in elk geval hier geen Spanjolen!"

„Stil moeder," prevelt Anna, die Elbert's somberheid heeft gevoeld. „Bedenk het verdriet van die anderen!" En zij zelf blijft mijmeren over het oude huis der Isendoorns, dat haar altijd een rots van standvastigheid leek.

Ook Lijsje bleef zwijgen, en nu de anderen met Elbert langzaam de kamer zijn uitgeschuifeld, gaat zij heel stil terug naar den erker.

„Christenridder," zei Dirk, en zij heeft toen bijna in de handen geklapt en geroepen: „Ja, Elbert, ja — dat moet je zijn — dat kon je zijn, als je niet zoo vreeselijk droevig keek Maar ze riep niets, bewoog niet. Voor 't allereerst in haar leven, heeft ze niet durven zeggen, wat ze dacht

Langs de gracht rijden Dirk en Elbert, — en zien naar haar op, roepen wat ze niet verstaat in haar blozende ver-

Sluiten