Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

warring om Elbert's verwonderden blik Heeft bij dan

geraden, waarover ze stond te denken?

D □ □

De nieuwe dag begint aan te lichten, blauwig en donzig door de bovenruitjes van het kruisvenster langs de donkere zoldering neerzevend in het Eoosche slaapsalet, waarvan heer Marten's bed met de zware gordijnen de grootste plaats inneemt. En eindelijk hebben de starende oogen zich gesloten en verloomen de saamgevouwen handen willoos op het dek....

Als de diep hijgende adem regelmatiger wordt, en het gezicht, in het glanzen van den dag matter van tint en weeker van lijnen, verzinkt in den doom van den slaap, waagt Elbert het, zich op te heffen uit den zetel naast het ledikant, waar hij het laatste uur roerloos en met ingehouden adem den zieke zat te bespieden. „Het is nu tijd, als ik doen wil, wat ik moet," zegt hij zich zelf. Maar bij z'n eerste voorzichtig bedwongen beweging, schokt de slapende reeds op, en Elbert schrikt van dien fel-dringenden bhk. „Roep hem!" stoot z'n vaders stem.

Dit is het eerste woord sinds z'n bezwijming in de zaal, gisteren kort na de aankomst op het Eoo. En 't is diep en'dof, maar even heerschend als het laatste gistermorgen op den weg!

„Hij bedoelt Hendrik!" flitst het door Elbert's gedachten, en verschrikt bhjft hij zwijgen en zien, durft den naam met noemen, die, misgeraden, dit uitgeputte hart te wreede pijn zou doen.

„Ga!" jaagt heer Marten weer op, en 't bloed slaat hem naar 't hoofd, wrevel woelt in z'n oogen....

„Waarheen?" vraagt Elbert zich af. „Wat doen?" Maar hij zegt: „Goed vader, we zullen hem roepen," en hij sluipt naar de deur, om die plotse drift te bedaren. ■

Sluiten