Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hangt boven den bidstoel 't Licht in de lantaarn is bleek

in de morgenzon.

„Het is zoo, jonker. TJ hebt goed gezien—in mijn gevolg is werkelijk een priester — de Nasaussche Jezuïet Johan Caspar Wiltheim. En ik twijfel niet, of hij wil met u terugrijden." En graaf Jan wenkt een karabinier, die met de morgenwacht tegen den muur staat opgesteld en draagt hem op heer Wiltheim te roepen.

Hij komt, in edelmansdracht en 't brevier in de hand. Onderzoekend ziet hij Elbert aan en begrijpt na de eerste woorden.

„Ik wilde juist de Mis gaan lezen", zegt hij „maar als de zielsnood van een zieke dringend roept"

„Gaat hij vóór!" vult graaf Jan aan.

„Er is, naar mijn menschelijk inzicht, voor m'n vader geen

stervensgevaar En toch durf ik vragen: kom 't eerst naar

mijn zieke En meer" hapert Elbert. „Maar dan

vraag ik u eerst te bedenken, wat een Mis moet zijn voor

Geloovigen, die er in geen drie jaar een konden hooren Er

is op het Loo een gewijde kapel, pater alle heilige vaten en

gewaden zijn er, en behalve de zieke, veel geloofsgenooten, die smachten naar de genademiddelen."

„Dan maak ze gelukkig op het Loo!" glimlacht graaf Jan met een hoofsch en mild handgebaar. „Laat ons in deze klare

morgenuren alleen en allen broeders zijn in Christus Ik

rijd mee naar die Mis."

En eenmaal te paard, laten ze den Jezuïet in 't midden, en 't gaat in snellen draf het bosch uit, de wijde hei langs, de Eoosche bosschen in.

Eer er sinds Elbert's vertrek een uur is omgegaan, leidt Stepraedt, door hem als voorbode ingelicht, de vroege gasten op hun verzoek aanstonds de kapel binnen. En niet lang, of

Sluiten