Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit kelders en zolders komen de vrouwen en kinderen, al het dienstvolk van Loo en Cannenborg, en ook Zweder van de Laar en de stokoude maarte Brecht, die vrouwe Catharina vergezelden, de banken vullen. Dicht opeengestuwd wachten ze geknield of staande in midden- en zijgangen, op 't onvoorzien blijde gebeuren, opgeleefd uit hun sombere zorg, alleen reeds in dit biddend samenzijn voor het altaar, waar de kaarsen al branden....

't Laatst komen Sofie met Lijsje en vrouwe Catharina, voegt zich Dirk in de bank tegenover haar, naast graaf Jan. □ □ □

In de ziekekamer zitten Elbert en Anna geknield aan weerszijden van het tafelaltaartje met kruis en kandelaars. In 't bed wacht heer Marten met gevouwen handen, den hlik langs hen heen naar het Christusbeeld. Zooeven heeft hij aan den Nassauer pater z'n biecht gesproken — maar hij wilde Oliesel en Communie uitgesteld, tot de Mis zou gelezen zijn. Hij heeft den priester gevraagd, die Mis op te dragen voor zijn zoon Hendrik. Er beweegt in de stilte van de kamer niets. Dê

kaarsvlammen branden rein en roerloos Zij drieën bidden.

Ze luisteren. Ze willen de Mis meeleven „Wij, wij moeten

roemen in het kruis van Onzen Heer Jezus Christus, in wien onze zaligheid, ons leven en onze opstanding is; door wien wij verlost en bevrijd zijn. God ontferme zich over ons en zegene ons! Hij doé Zijn aangezicht over ons lichten".... leest Elbert uit zijn missaal, den Introïtus van dezen veertienden

Septemberdag, het feest der Kruisverheffing hij komt tot

het Evangelie:

„Te dien tijde zeide Jezus tot de scharen der Joden: Nu geschiedt er een oordeel over de wereld: nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen. En Ik, als Ik verheven word van deze aarde, zal Ik alles tot Mij zeiven trekken"

Sluiten