Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII

TOEN de drie karossen der . Bossche gezanten in den dalenden avond de Mauriksche kasteellaan uitreden — een Staatsch trompetter voorop en zes ruiters van 's Prinsen lijfwacht tot achterhoede — was Hendrik niet met de anderen teruggegaan in hal en zaal, waar het triomffeest nu eerst vrij-uit opleefde. Even zwierf zijn blik nog over het gewoel tusschen de donkere wanden, bont en lichtend onder den nieuwen gloed der kaarsenkronen. In gelach woelden de stemmen op, in kwinkslagen en zotteklap over de papen, die deze Staatsche officieren tot tafelburen hadden aan het maal, waartoe de Prins de negen parlementairen der veroverde stad zoo hoofsch had genoodigd, en dat een begrafenismaal leek. Uitbundig na het zelfbedwang brak nu de vreugd over de victorie los, met den

hoon en den haat En Hendrik, wetend dat hij daar binnen

niet langer thuishoorde, sloop langs de stammen de traag voortwaggelende koetsen na. 't Hek uit, stand hij ze na te oogen, logge schaduwen in den schemer der Vuchtsche laan, waar dronken soldaten in troepen joolden. Maar de voorrijder stak z'n trompet, en het koperen geschetter overschalde het jouwen en fluiten der dronkenmansbenden en scheurde den

schemer scheurde misschien het hart van die twee in de

laatste karos Want daar zaten ze naast een achter de

dichtgetrokken gordijnen, — de Norbertijner abt van het Heeswijksche Berne en de proost van het kathedraal-kapittel — de eene mager en bleek in z'n wit habijt gedoken als een treurende doffer, de andere in z'n zwarte toog somber als een vleugellam geschoten roek Nu onder de oogen der om-

Sluiten