Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geloof onviitroeibaar in bern leeft. Zijn het de puinen van het laatste Roomsche bolwerk, die op hem, schenner en zwabber, wegen?

Voorover op z'n veldbed hgt hij in De Groot's boekje te mijmeren, dat bij vanmorgen met andere opdiepte uit z'n koffer, om zich lezend een houding te geven voor z'n oppasser.

Want eerstelijk zoo is de mensch geschapen vrij, Om over zijne daad te voeren heerschappij, Hij voelt ook in het hart een lust gestadig blaken, Om tot de onsterfelijkheid zijns wezens te genaken.

Daar is hij blijven steken. Reeds een uur en langer mokeren die woorden in z'n roezig brein. Menschonwaardig was zijn leven, dat hij beheerschen het door de daden, die het lot van hem vroeg. Daarom hgt hij hier, vertreden door z'n eigen gedachten, als dor hooi geslagen. En z'n „lust naar onsterfelijkheid" is geworden tot dit almaar warrend en wentelend verwijt lafaard, lafaard Daden ? De ééne diehij doen moet,

durft hij niet Opstaan en naar zijn vader gaan.... Zoo z'n

ellende belijden aan de wereld en aan zich zelf, zich overgeven aan wat hem roept als z'n eenige redding.

„Kom mee! We rijden met den Prins mevrouw Amalia en

de Koningin van Bohemen tegen" Plots komt daar Karei

van Delen's stem met den schijn van het avondrood door het opgeplooide tentdoek. „Wat doe je te bed?"

„Ziek van de moeraslucht."

„Die heb je zooveel maanden lang verdragen. We kennen jou ondertusschen. De koorts komt aan je, zoo gauw je mee feest moet vieren."

„Ziek van de feestlucht, zooals je wilt."

„Hoelang moet dat duren?"

Sluiten