Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Laat me. Er zijn er genoeg."

Maar Karei komt tegen den middenpaal leunen, de armen overeen. „Morgen de uittocht van de papen, 't Krioelt nu al

van kijkers Het land loopt leeg, om dat te zien Achter

Amah'a aan komt natuurlijk heel Den Haag en heel Holland. En jij zoudt hier "

„Ik gun je de victorie! Laat mij uitzieken."

„Morgen zul je wel moeten Alles te wapen! Versche

troepen rukken aan uit de Brabantsche en Geldersche steden. Groot vertoon van Staatsche macht! Posten overal, in hagen de wegen langs, en dubbele wachten om onze wallen. Onder den uittocht trekken zes kolonels hopmanschappen door de bres de stad binnen Ook jij daarbij volgens de order."

„Goed", doft Hendrik's stem, en doodmoe sluit hij de oogen....

„Lamme meelzak!" snauwt Karei in plotse drift. „Ben jij 'n soldaat? Schudden moest ik je, tot de vonken er uit vlogen....

Maar meel, niks dan meel Voor mijn part! Stik in

meel!" Weg is hij. En Hendrik gooit De Groot's boekje in een hoek, springt op en balt de vuisten, de armen strekkend dat ze kraken....

om over zijne daad te voeren heerschappij

Hij, die als 'n held begon! Bah! Al scheldt hij zich zelf voor lafaard, moet hij 't verdragen van dien ander? Maar toonen zal hij hun, dat hij tóch een man is — vuur en kracht

toch nog in hem Morgen? Opzitten, driest en tartend

triomfator zooals Karei en de rest den held spelen

weer mee, om het dwaas getob te vergeten

Vuisten saamgeklemd op den rug, tanden opeen is hij z'n tent uitgedwaald, snakkend naar lucht en ruimte. In het kamp joelt de kermis tusschen de soldatententen, die met stroo-

Sluiten