Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het avondrood, dat me doopt en drenkt in dit oogenblik

Verslonden in U als in dit licht, wil ik niet meer leven, maar U zijn...."

Snikken doorschokken hem, en mild wellen de tranen

Hij heeft zich overgegeven.

En de woorden die z'n hart uitstoot, vergaan in de stilte, dieper en inniger, nu de dag vergloort tot een teer geschemer,' waardoor het laatste purper waart, ijl als de dorre geur der Septemberhei.

Als hij zich eindelijk opheft, ziet hij de eerste sterren aan de doorzichtige bleekgroene lucht, en mijmerend zoekt hij er meer, maar vindt niets dan in de verte tegen dekleurlooze diepte van den hemel de schaduw van de stad, met de wieken der windmolens als strakke zwarte kruisen op de walhoeken, en massaal boven het grillig hoog en laag van daknokken en torens uit, de kathedraal.... Oprijzend uit de stilte, uit de vlakten van water en weien, is ze het hart en midden, het

tabernakel dezer wijde eenzaamheid, zoo vol van God'

Morgen daarheen als een boetend pelgrim!

Laat komt hij in het kamp terug. Vreugdevuren branden er aan alle hoeken, opwalmend met doorgoude en doorgensterde rookwolken. En tusschen de tenten loopen in den rossen gloed piekeniers en ruiterjongens met brandende bossen gepekt stroo aan stokken en spiesen, en wild krijschen ze bij het geroffel der trommen — bij het gepijp en 'gedoedel en de schallende trompetten overal.

Zag de Bossche Sint-Jan ooit een pelgrim komen, zooals hij morgen komen zal? Dichte horden van kettersche soldaten

zullen zijn gevolg zijn

De laatste pelgrim, hij, met z'n nasleep van heihgschenners, maar de eerste toch, die er boetend beloven komt ts helpen'

Sluiten