Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Schuw en treurig kijken ze met blinde oogen naar

de scharen langs den weg.... Het is doodstil. Ook nu, tusschen de wagens, te voet de priesters komen, allen Minderbroeders, Jezuïeten en Kruisheeren in hun habijt, en reeds verschillende' stadsgeestelijken.... Ze loopen in dichte groepen bijeen, als zochten ze steun en verschuihng bij elkaar. Ze bidden' stil aan hun rozenkrans en houden het hoofd gebogen, als schreden ze in den ommegang. Maar Anna ziet, hoe velen de regelmaat van hun stap verhezen, wanneer ze de vorstengroep en het paviljoen naderen, eenigen beginnen sneller, anderen strompelend te loopen, en geen enkele ziet op.

„De laatsten," beeft Anna's stem aan Rijsjes oor, „we staan de nederlaag en den uittocht aan te zien .van onze Roomsche Kerk in Noord-Nederland."

,,'t lijkt zoo maar," troost Rijsje, „de Kerk zal blijven en winnen. Ik voel dat in m'n hart." Het doet Anna glimlachen door tranen. „Je denkt aan

de Mis op het Doo? "

„De denk aan Elbert en z'n kruiszwaard," en warmer voelt

Anna de druk van haar hand

„Jij hoopt," mijmert Anna, „en ik.... ik word hier voor 't eerst bang.... Hoe zullen we Hendrik vinden voor z'n vader ? En dan nog ? Hard en hoog zal hij zijn zooals Karei is,

en al die anderen daar "

„Jij, die zoo vast gelooft, en me leerde bidden.:.." „Bidden, ja."

„Thuis z'n vader en Elbert; hier wij, zoo gauw we de stad m en naar de kerk kunnen.... Straks al, toen we van Hintham af de stad omreden.... en almaar de Sint-Jan zagen, als 'thart van alles.... In de karos zat je stilletjes te bidden. Ik ook."

Sluiten