Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beweegt dan de vlaggen en dat hen met z'n stille vensters aanziet, als wachtte het even bang en blij als zij zelf.

„Zijn ze er, of moeten ze nog komen?" vragen de Looschen aan die van Vaassen. Maar niemand weet iets. Enkel een van de Laarderhei, die z'n stroefheid verwint, zegt dat het volk van den Cannenborg het goed zal krijgen met dat kind op het huis!

„We hebben't nooit slecht gehad," stoefteen Cannenborger. „Jonker Elbert was er toch!"

„Maar 't kind is mooi en goed, of ze recht uit den hemel viel I"

„Telkens kwam ze bij ons thuis."

„Ze is ons zelf allemaal op d'r bruiloft komen vragen." „Ze hjkt op de Maagd Maria." „God gunt haar aan onzen jonker." „En neemt haar óns af!" „Alles wat we hadden."

„Want nu gaan de twee andere ook, de moeder en juffer Anna. Naar 'n klooster ver weg." i

„Omdat de oudste, die met den oudste van Eschate ia getrouwd, daar op 't huis komt wonen."

„Da's een felle kettersche."

„Die is bang, dat de heele Veluwe weer Roomsch zal worden, nu de Laar 't weer is. „Dat zal de Veluwe tóch!"

„'t Kind zei: „Kom met mij mee. Rondom den Cannenborg is plaats genoeg, en die wordt nu 't hart van 't land hier."

„Plaats genoeg — dat zegt ze wèl — en de grond is hier heel wat beter dan de Laarder hei."

„We komen. We zijn er al." Dan lachen ze. ,,'n Hut staat er gauw, en hun boeltje laden ze op 'jx rolwagen." Diepen

Sluiten