Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dof als een hoest is hun lach. Alsof ze er zelf van schrikken, zwijgen ze weer, kijken ze weer naar 't Huis, waar in den neveligen binnenschemer achter de groen versierde open poort, voor 't eerst schaduwen bewegen. „Komen ze nu?" Maar 't zijn enkel twee stokoude moedertjes, die op de brug verschijnen. Hel blinkt het wit van haar huive en halsdoek, tusschen zich in dragen ze een groote kleurig bestrikte ben... Ze kijken uit, knikken beverig.... „Maarte Brecht" weten die van Otterloo; en die van Vaassen: „De vrouw van Daam...." — „Aardige bruidsjuffers, die twee," lachen de Dooschen.

En tegelijk hooren ze uit de verte een gedommel, dat dieper en vaster in 't windgesuizel, al gauw 'n rollen van raderen wordt en hoefgetrappel. En ze wijken uiteen, want den laanhoek om komen drie koetsen, de oude wagen van den Cannenborg het eerst, maar dan twee fonkelnieuwe karossen, en op den hoogen bok van de laatste zitten Daam en Zweder in rosbruin-en-rood livrei, de haneveer vurig op den bruinen vilthoed en een bouquet van jasmijn met groene en witte linten links op den hjfrok, boven op hun hart.... Ingetogen staren ze op de witte paarden, waarvan Daam de teugels houdt, en die goud- en- wit betrest de koppen schudden, dat de zilveren bellen aari den halster rinkelen en de strikken flapperen. En in de koets, die flonkert van gouden knoppen, zien ze achter de roodgebloemde franjegordijnen veel wazend wit en twee blanke jonge gezichten, die bhj naar hen kijken. Elbert en Lijsje! Ze komen vanhetDoo. De Jezuïet Johan van den Broecke, die op zijn beurt tegenwoordig van schuilhoek naar schuilhoek over de Veluwe zwerft, heeft vanmorgen een Mis gewaagd in dé Eoosche kapel en het huwelijk voltrokken, dat ze verleden week door den predikant

Sluiten