Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofd neer in de schaduw van z'n gedachten, rustig En

als hij nu opzag, als hij haar eindelijk aanzag zooals zij

hem zou haar hart niet als een milde bron voor hem open

zijn, diep en onuitputtehjk ?

Ze zit roerloos, maar vaster klemmen haar handen ineen, en haar oogen vloeien vol tranen, om het verlangen, dat haar ziel doorruischt en doorsuizelt als de morgenwind het

stille bladerbosch Hem nóg liefhebben, zooals Lijsje

van Elbert houdt? Zij, die morgen met haar moeder naar dat verre klooster zal rijden om God haar leven te offerenuit dank, dat haar alles gegeven is in overmaat

Ze schrikt. Want nu de laatsten van de hoorigen terugschuifelen naar de deur, staat Hendrik op, recht naar Elbert en Lijsje toe.

„Ze hebben geen geschenken aan jullie voeten gelegd," begint hij te spreken met z'n zachten lach, maar toch met zoo plechtig gebaar. „Ze zijn er te arm voor. Laat mij het doen — omdat ik arm wil zijn als zij. Laat mij jullie zeggen in dit oogenblik, dat ik je mijn erfrecht op den Cannenborg overdraag, al wat ik nog bezit. Vader weet alles en vindt het

goed. In dezen brief is 't beschreven Heer en Vrouwe van

het Huis en het land zul je zijn."

„Maar we kunnen toch samen hier? " stamelt

Elbert verward. „Jij"

„Och ik Vrouwe Armoede is mijn bruid. Over een week

ga ik naar Keulen, om er minderbroeder te worden."

„D e o g r a t i a s" mompelt heer Marten. En de anderen zijn stil geworden. Zijn 't geen wonderen, waarin ze leven ?....

Als ze opgaan naar de eetzaal, openen Hendrik en Anna den kleinen stoet, en als zij hand in hand voortgaan over het rozenstrpoisel, zegt Anna: „TJ trekt naar dat klooster in

Sluiten