Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Keulen, wij naar de abdij van Poitiers... Onze wegen loopen ver uiteen naar Oosten en Zuiden, en toch naar 'tzelfde doel...."

„Bid ginds voor mij om kracht en trouw."

„Tot het einde," zegt Anna, en ze voelt voor 't eerst zijn aandacht op haar, verwonderd en vragend. Maar ze buigt

het hoofd en zwijgt. Ze wil rustig zijn als hij en God

danken dat de pijn blijft, en ze voelt het, levenslang blijven zal.... Een smarten-offer is haar levens-offer. Een klaarte straalt haar de oogen uit, die de tranen wegwischt

Rozenslingers ranken over de tafel en hangen van de tafel neer, die glanst van zilver en kristal, en de eetzaal is groen

en bebloemd als een loovertent Ze zitten met twaalven

samen, zij achten die uit de Eoosche kapel kwamen, en de vier oudsten van het dienstvolk. Ze zitten vertrouwelijk en gelukkig bijeen als één gezin, en van uit den boomgaard klinken de stemmen van de bruiloftsgasten als een vreugdig gezoem, doortinkeld bijwijlen door de vedels en fluiten der musicijnen, die dansjes spelen op het verhoog onder de appelboomen.

„Och!" roept Lijsje ineens, terwijl ze er weer naar luisteren» „daar denk ik aan iets!" En aller oogen verwonderd naar

haar. „Jk heb een gelofte gedaan.... en 't moet— 't moet

maar hoe kan dat?"

„Zeg het," dringt Elbert „vandaag kan alles."

„Ja maar, ik heb beloofd, toen in de Sint-Jan, op onzen huwelijksdag mijn bruidskrans te hechten aan het kruis midden in 't bosch 't Zal toch moeten."

,,'t Moet zeker," bevestigt Elbert, „we zullen samen gaan."

„Wij mee," zegt Anna „is niet, moeder? Want dat kruis...." $Êfjtêi

Sluiten