Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, dat kruis/' neemt Hendrik haar woorden over. „Het staat er. niet meer. Sinds gisteren. Vergeef het mij, die Franciscus' zoon wil zijn, dat ik er een nieuw plantte en het oude meenam naar den Cannenborg. Nu staat het boven op de plek, die vader en ik uitkozen voor het altaar, waar de toekomstige Cannenborger priester Mis zal lezen, als hij op de Veluwe zal komen jagen naar zielen in greppels en kuilen."

„Lijsje, dus tóch je bruidskrans aan 't oude kruis, en wij allemaal mee," roept vrouwe Catharina.

„Kom" zegt Lijsje, én de schalen met suikergebak, amandelen en kapittelstokken blijven onaangeroerd op den disch. Zij twaalven • trekken de trap op, zwijgend ineens en eerbiedig als in een processie.

□ □ □

Heer Marten wilde niet mee, toen ze allemaal weer teruggingen, zooals ze gekomen waren. „Laat me" zei hij op z'n ouden harden heerscherstoon, zoo gauw Hendrik hem z'n arm wilde reiken. En nu hun voetstappen door de belendende groote ridderzaal wegsterven, knielt hij hier in de leege stilte der wapenkamer voor dat vermolmde kruis, met Lijsjes kleinen bruidskrans van maagdenpalm en madelieven om het Christusbeeld.

„Nu laat uw dienaar, Heer, volgens uw woord in vrede gaan. Want mijn oogen hebben uw heil gezien...."

Hij moest alleen zijn voor dit luid gebed, dat hem heel den dag reeds uit het hart welde, en voor zóóveel tranen van geluk

Als de kleine bruidsstoet in de hal terugkomt uit den boomgaard, waar Lijsje bruidssuikers uitdeelde, tot al het volk hand in hand om hen een rondedans begon, zingend

Sluiten