Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GROOTE VOGEL

De groote vogel weeklaagt in den avond

En nijgt den donkren kop al naar den schouder.

Hij lijkt zoo moe, ellendig en gehavend

En zit maar stil en wordt al oud — en ouder.

Hij duikt ineen zijn zwarte sneb begravend. De nachtdamp stijgt, de nevel wind wordt kouder; Maar dan zoo kalm, de donkre landen lavend Rijst groot de maan en bloeit al goud — en gouder.

En plotseling met ééne luide kreet

Ontplooit de vogel de geduchte vlucht

En rijst zwartprachtig naar de gouden lucht.

En mijn verlangen, dat zijn landen weet Achter de kimmen van zijn eenzaamheid Stijgt met den vogel die naar de einder glijdt.

Sluiten