Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GAST

Gij hebt in honger mij gespijsd: Ik nam wat mij uw maaltijd bood. Ik at uw blankgewasschen rijst En kruimig brood.

Eén dag, één nacht was ik uw gast : Ik dronk uw koesterenden wijn. En nooit vergat ik zóó de last Van vreemd te zijn.

Ik zat in 't schijnsel van uw lamp, Dat allë angsten overbloost, En sluimerde in het veilig kamp Van uwen troost.

Nu ga ik, met het morgenrood Voor nieuwen dag en nieuwe reis, Totdat ik eens voor goed uw brood Behoef tot spijs.

Sluiten