Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BETOOVERDE HUIS.

Verdwaald geraakt in 't oerwoud van mijn droomen,

Klopte ik vermoeid aan zijn betooverd huis.

Hij prees luidruchtig mijn zoo late komen

En wekte knecht en dienstmaagd met gedruisch.

Hij liet het licht uit lamp en luchter stroomen En riep een schat op uit de ontsloten kluis. En lachte schril om 't schuchtre van mijn schromen. Waar hij juweelen spilde als waardloos gruis.

Maar voor mijn honger lag beschimmeld brood Op 't gouden bord, dat hij mij prijzend bood. En voor mijn dorst schonk hij verzuurden wijn In 't fonkelend kristal van 'tspranklend glas.

Toen zag 'k hem aan, en van der lippen pijn Las 'k hem het doode woord; en 'tviel tot asch.

Sluiten