Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij zoekt het, mij is het gegeven, Ik draag het als vuur in mij om. 'k Zal al uwe lampkens doen leven En de laster, die jakhals zwijgt stom".

Toen kwamen nabijen en verren En droegen hun lampkens om vuur En dachten het fonklende sterren Op 't feest van het groote avontuur.

Zij juichten, zij lachten, zij schreiden En kusten elkander den mond. Hier was dan het eind van hun lijden Dat de kracht van hun lichaam verslond.

't Visioen voor mijn oogen verbreedde: De lichtjes krioelden dooreen. Zij naderde' elkaar en zij scheden En voegden zich blij weer aaneen.

Zoo duurde 't, zoo stegen veel uren

Met rustige slag uit de kim

En vlogen als vogels, die sturen

Naar de vlucht van hun voorgaande schim.

Totdat uit het feestend gemengel Een klaagstem een uitweg zich won, Alsof met wanhopig gebengel Een rampklok te luiden begon:

„Hoe droeg ik het heldere branden Van mijn eeuwig ondoofbare lamp; Hoe stierf het dan plots in mijn handen En walmt met een stinkende damp?"

Sluiten