Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DEN STORM

„Hoor, hoe de donder ten bergtop weergalmt! Ga dan in Godsnaam, maak voort, het is tijd. Telang hebt ge lachend gepraat en getalmd, Spring in den zadel en rijd!"

Hij lacht en rijdt heen! En wie blijft roept hem na: „Heil. op uw tocht!" Maar hun zorg ziet hem gaan En slaat de dreigende onweerslucht ga Laag aan de donkre vulkaan.

Men weet het, daarginds, zie, daar giet nog de zon Een krimpende vlek, bij die heuvels, die kolk.

Daar is zijn huis, nog zoo ver; ach, of 't kon?

rtWelk paard won het ooit van een wolk?"

Hö rijdt en buigt af van den weg naar het pad. Wat let hem de razende storm of orkaan? Geen, die als hij ooit het zadel bezat, Geen, die de tocht zou bestaan.

„Hoor! Is 't de wind, die de boomtoppen vond? Neen, 't is de regen, die loeit in de hoos." Een droppel valt zwaar als een kus op zijn mond, Die bloeit als een dauwige roos.

^Voorzichtig, het bergpad is brokklig en steil, . Zie toch, hoe donker de bergstroom zich kleurt: Valsch is ze, valsch, als een deerne zoo veil, Die lieflijkste droomen verscheurt."

„Voorzichtig, voorzichtig, mijn God, zie toch uit! Te laat reeds, te laat! Ach de stroom brak de brug, Te snel was uw rit en geen hand, die u stuit, Nu móét ge, gij kunt niet terug."

Sluiten