Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

Als iederen avond, wanneer er Lof geweest was, wachtte tante Cato in de laag-zolderige woonkamer van het oude, smalle huis, waarin haar grootouders reeds gewoond hadden, de jongelui achter haar theeblad, waarop, keurig in de rij, drie kopjes stonden geschaard vóór den trekpot, geflankeerd door het zilvergeoorde, kristallen melk-kannetje en het zilver-behengselde suikervaasje. Ter zij, op 't wijnroode, pluche tafelkleed prijkte lokkend de schaal met kruimige Haagsche beschuitjes. De zuiver-* symetrische, altijd eendere opstelling was als 'n symbool van tantes gelijkmatige levenshouding.

Bedaard, nauwgezet, stipt in alles was ze eigenlijk al als jong meisje geweest. „Geschapen voor het klooster", hadden kennissen toen vaak geoordeeld. En zich blijkbaar vergist. .Want, ondanks haar vroomheid, haar opgaan in allerlei devoties, was ze in de wereld gebleven, had eens zelfs trouwplannen gehad, 'n Korte verloving, afgebroken door den man, die haar niet waard was, had haar 'n scherper verdriet gegeven, dan men achter haar koele geslotenheid kon vermoeden. En nóg kon de smart om haar eerste en eenige groote levensteleurstelling met weeë pijn in haar vlijmen.

Zoo had ze niets van de blijmoedige levensaanvaarding van 'n religieuse bij al haar strenge vroomheid, veeleer was er in haar het stroeve, eigengerechtigde, de vreugdelooze wereldverzaking van 'n star-dogmatische

Sluiten