Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Siegfried knikte — of hij schuld bekende.

„Stomme bliksem," het van Rode zich gaan. Hij lachte als bij 'n half-ernstige grap, maakte echter onmiddellijk excuses: „Neemme niet kwalijk, Rumpke, dat ik er dat zoo maar uitflap, maar wezenlijk, beste kerel, voor 'n kunstenaar is trouwen funest, 'n Artist heeft voor alles vrijheid noodig. — zooals 'n vogel de vrije lucht noodig heeft om zich te kunnen verheffen".

„Dat spreek ik niet tegen," beaamde Siegfried dof.

Er volgde 'n oogenblik van pijnlijke stilte, waarin van Rode 'n lange teug uit z'n glas nam en Siegfried, om zich 'n houding te geven, langzaam 'n nieuwe sigaar opstak, 'n Sarrig gevoel van ontevredenheid met zich zelf was hem gaan hinderen, bij verweet zich, dat hij de indiscrete opmerkingen van van Rode niet onmiddeUijk flink had gecoupeerd. En nóg overwoog hij, of hij hem niet beleefd verzoeken zou zich met z'n eigen zaken te bemoeien. Maar 'n niet te onderdrukken respect voor het meerderheidsvertoon van van Rode liet hem zich slechts uiten in 'n schampere vraag:

„Hoe kom jij aan die wijsheid, zeg? Ik verwachtte van jou niet, dat je zoo diepzinnig over zulke levensvraagstukken nadacht."

„Niet? Wat denk je dan wel van me?"

„Ik zou eigenlijk niet weten, wat ik van je zou kunnen denken. We hebben elkaar uit 't oog verloren hè.... en wat je in de vreemde hebt uitgevoerd, ik heb er geen hoogte van."

„Maar onder tusschen denk je: niet veel goeds. O, man, ik weet 't best; indertijd hier op de H. B. S. had ik geen al te goeie reputatie, ik was 'n luie, verwende aap van 'n jongen en nog veel meer. Maar nou ik ouder geworden ben en flink wat van de wereld gezien heb,

Sluiten