Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En ik voel me er waarachtig niet ongelukkig onder. Maar voor jou is 't iets anders natuurlijk. Tenminste als je in dit bekrompen nest aan je kostje wil komen."

Van Rode het 'n spotlachje vleugen over z'n bewegelijk, glad-geschoren tooneelspelersgezicht, strekte toen, even opveerend uit z'n lighouding, z'n blanke, vrouwelijk-zachte hand naar Siegfried uit, die haar met iets aarzelends aanvatte.

„Ik kom 'ns bij je oploopen ", vervolgde hij vriendschappelijk. „Ik moet nog 'ns ernstig met je praten. Waar woon je?"

„Boven van Stedum op de Looiersgracht, weet je misschien nog" antwoordde de musicus stroef.

„A-ha, de goudsmid met z'n mooie dochters, kom ik zonder mankeeren en gauw ook, dat beloof ik je." En hij lachte nu hardop z'n zelfbewusten lach.

'n Paar minuten later stond Siegfried Rumpke op straat in de duistere verlatenheid van het pleintje, waaraan het sociëteitsgebouw lag. Door de wijking der toegeschoven overgordijnen, als door spleten in het zwarte, massale gevelvlak van het breede gebouw, dreven gouden afglanzen van het binnenlicht in den triesten, sterrenbozen nacht uit als lokkingen naar de innerlijke, warme gezelligheid. Het geklikklak van tegen elkander rollende biljart-ballen, 'n uitgeschaterde lach, opgewonden kreten van plezier drongen als echo's daarvan naar buiten, waar de weemoedige rust van verlaten doodschheid oppermachtig heerschte.

En 'n oogenblik voelde Siegfried spijt de genoegelijk -warme societeitszaal verlaten te hebben, nu de huiverkou en de fijne motregen killend over hem heen sloeg. Waarom eigenlijk was hij heen gegaan, waarom zocht

Sluiten