Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De dag had nog mooier kunnen zijn", bromde tante.

Maar ze zweeg toch verder, zich schikkend naar den wensch van het nichtje.

Ze waren nu de straat ten einde, waarin Thilde aldoor nog de stille hoop had gekoesterd, Siegfried te zullen zien aankomen.

Telkens meende ze inderdaad hem te herkennen in jongemannen-flguten, die in de verte naderden, doch iederen keer bleek fel-teleurstellend de vergissing, die met al bitterder droefheid haar hart doorpijnde. Thans traden ze het stadspark in en daarmee vergrootten ze de kans, dat ze in de vele, elkaar kruisende lanen Siegfried zouden misloopen.

Doch gelukkig bleek tante voor de ongewone, vlugge wandeling bovenmatig veel van haar krachten te hebben gevergd, zoodat ze het eerste bankje het beste, dat in de beschutting van 'n boschje conifeeren stond en waarover de zon haar stralende koestering legde, als welkome rustplaats uitkoos. Ze zetten zich in de milde warmte en bleven 'n tijdlang zwijgend, met eigen gedachten bezig, kijkend naar de voorbijgangers, die de bijna zomersche dag tot 'n wandeling had verlokt: oude heertjes en dametjes, die, den tijd aan «ich, rustig, met bedaarde pasjes hun loopje namen, jonge moedertjes achter de kinderwagen met den rustig-slapenden of duim* zuigende baby en kindermeisjes, die stoeiden in lenteUitgelatenheid met het haar toevertrouwde kroost. Toch was het er nog stil, wijl om dit uur de jeugd in de schoollokalen, de zakenmenschen op de kantoren, de winkeliers achter hun toonbanken de stralende, gouden -blauwe lucht nog slechts mochten bewonderen achter de vensters.

'n Vredige stilte, die nochtans vol ingehouden jubel

Sluiten