Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schuwing door haar opgeschrikt denken. En ze herhaalde die waarschuwing in zich zelf, Thilde, om haar plots gewekte, vlijm-scherpe jaloezie tot rust te brengen. Nochtans, hoe nader het drietal kwam, hoe stekender de pijn werd. Want nu zag ze den lach, die over hun gezichten zonde, het vertrouwelijk zich naar elkaar nijgen. Het was, als hoorde ze in haar ooren suizen, wat zij toespraken .... En ze wilde het niet hooren, ze vocht er tegen als tegen 'n krankzinnig dénkbeeld, maar als 'n helsche kwelling drong 't vermoeden zich aan haar op: ze lachten om haar, om tante Cato, de burgerjufjes, die kruideniers en koekbakkers in de familie hadden, 't Was afschuwelijk, 't kon niet waar zijn, waarvan ze hem verdacht, verweerde ze zich tegen die inblazing, 't was schandelijk zonder eenigen grond zooiets te vermoeden. Maar de sarrende stem bleef influisteren: lachen ze nü niet om je, dan zullen ze het morgen doen of overmorgen. In ieder geval kijken ze meelijdend op je neer. 'n Radeloos verdriet brokte in haar keel, tranen sprongen haar in de oogen, die ze, het hoofd afwendend, snel wegwischte met haar hand, zonder dat tante het merkte. Doch die had intusschen ook Siegfried ontdekt. Het drietal was trouwens zoo dicht genaderd, dat hun hooge, lacherige stemmen tot haar doorklonken. En ook Siegfried begon teekenen van herkenning te geven. Hij zwaaide 'n paar malen met de glacé handschoenen, die hij in de hand hield en knikte er bij met 't hoofd ter vriendelijke begroeting.

Thilde, haar gezicht tot 'n verheugd lachje dwingend, knikte terug. Doch tante zei scherp:

„Zoo, is meneer daar eindelijk. En hij is in deftig gezelschap, zou ik zeggen. Wonder, dat hij zich niet voor ons geneert". Ze zei 't zoo hard, dat Thilde vreesde, dat de anderen het zouden kunnen verstaan; ze

Sluiten