Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu was die korte geluksperiode voorbij. Voor goed voorbij, zei hem beangstigend 'n voorgevoel, waaraan hij niet gelooven wilde, maar dat hem toch uiterst neerslachtig maakte.

Van Otto vernam hij maar zelden iets. Af en toe ontving hij 'n prentbriefkaart met enkele regels, die hem in staat stelde z'n vriend op z'n zwerftocht door Frankrijk en Zwitserland te volgen. Ze wekten z'n jaloezie en heftige ontevredenheid.

Geld.... geld te hebben, zóó rijk te zijn, dat je je alles kan veroorloven, te kunnen reizen en trekken en alleen maar te leven voor je kunst als 'n vrij man met kinderlijk verlangen kon hij er naar hunkeren. En hoe benijdde hij van Rode!

Wat 'n zeldzaam gelukskind was die toch met z'n vrijheidsdrang en onbezorgde zwerversnatuur. En wat 'n stommeling was hij zelf, die, verlokt door 'n vaste betrekking, nog jong zich reeds aan handen en voeten gebonden had om te verschimmelen in 'n nest van 'n provinciestadje. Zijn grootste vacantiegenoegen was 'n kalm fietstochtje met Thilde in den omtrek, 'n wandelingetje langs de Singels, 'n zitje in den 'n eind buiten de stad gelegen theetuin. Aan 'n reisje mocht hij niet denken, hij moest sparen voor z'n toekomstig huishouden en, wat erger was, om uit z'n schulden te raken.

O, 't leven was ellendig van moordende saaiheid!

Geweldig opstandige buien beleefde en doorworstelde hij, waarin krankzinnige plannen hem invielen om met alles en iedereen te breken en 'n avontuurlijk bestaan te gaan leiden. Alles leek hem beter dan de grauwe verveling, het emotielooze plichtmatige leventje-van-alle dag, dat hem met 'n verstikkenden lust drukte. Maar de moed tot 'n bevrijdende daad miste hij en nu hoopte

Sluiten