Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In 'n kamer van 'n eenvoudig hotel was Siegfried Rumpke bezig met nerveus-jachtende vingers z'n witte das te strikken voor den spiegel. Hij stond in z'n smetteloos-blank overhemd, het rokvest nog maar losjes aangeschoten, maar reeds had z'n verschijning iets feestelijks door het zorgvuldig gekapte van z'n artistieke lokken, de keurige witheid van z'n linnen tegen het doffe zwart van z'n rok-pak.

Doch niets feestelijks had z'n innerlijke stemming. Hij had volkomen het nijpend-angstige gevoel van voor 'n examen te staan, dat over z'n toekomst zou beslissen en waarvoor hij allerminst zeker was te zullen slagen.

Over 'n uur begon de première van z'n operette. Onder leiding van den componist. Als 'n attractie was dit op de kakelbonte, schreeuwerige aanplakbiljetten er bij vermeld; dagelijks hadden zij het Siegfried toegegild van reclamezuilen en vakken, wanneer hij, na vermoeiende repetities, z'n hotel opzocht. Maar met trots of zelfs maar voldoening had dit uitbazuinen van z'n naam en z'n werk hem niet vervuld. Daarvoor leefde hij te zeer in den ban van onzekerheid en was de ontgoocheling al reeds te groot.

Al aanstonds, bij de laatste repetities, die hij was komen dirigeeren, was hij gestuit op 'n koele, bijna vijandige onverschilligheid voor z'n werk bij de beroepsmusici, voor wie hij — hij merkte het aan hun blikken en heimelijk gesmoes — het obscure organistje uit 'n provinciestadje was, zonder reputatie. Het had z'n eerste optreden pijnlijk bedremmeld en onhandig gemaakt en niets was er overgebleven van het zelfbewuste, dat hij zich toegedicht had, wanneer hij eenmaal, den dirigeerstok in de hand, aan den lessenaar zou staan. Echter, toen het orkest de ouverture had ingezet, was z'n schuchterheid spoedig overwonnen. De juichende accoorden,

Sluiten