Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gereserveerde zaaltje vullend met hun drukke bewegelijkheid en luide, geaffecteerde praatstemmen van commedianten, Lilly in haar kostbaren pelsmantel voorop, 'n tuil witte rozen in haar hand en onder haar arm den bibberenden dwergpincher, waarvan ze onafscheidelijk was en dien ze met sentimenteele hef koozingen overlaadde.

Siegfried, eenigszins onvast ter been, ging onmiddellijk naar haar toe, hielp haar, den gedienstigen strak-kijkenden kellner terzijde dringend, den mantel afdoen, waarbij het hondje 'n nijdigen uitval naar z'n mouw deed, bood haar met 'n buiging z'n arm, dien zij met n bekoorlijken lach aannam en waarop ze zwaar rustte, terwijl ze met hem aan tafel ging. Iedereen scheen het vanzelfsprekend te vinden, dat hij haar met z'n attenties overstelpte; hij geloofde zelfs aanmoedigende lachjes te zien glanzen in aller oogen. . , ,

Doch stellig zag hij die aanmoediging in de hare, cue zoo vreemd, diep-ontroerend en lang op hem konden blijven rusten en hem 'n huiver gaven als van n heimelijke liefkoozing. En als bij afspraak buiten hem om, werden Lilly en hij het middelpunt van den feestelijken met weeldeverfijning aangeriehien avonddisch, waarbij 'n keur van spijzen werd voorgezet en de champagne overdadig vloeide. Van Rode, als gastheer, had met n kort, geestig speechje z'n gasten welkom geheeten en daarbij den tegenover hem zittenden Siegfried en Lilly in één adem genoemd en gecomplimenteerd. En zoo bleet het gekscherend, plagend, spottend het gansche verloop van het souper, Rumpke en Lilly - bij de algemeene verbroedering waren afstanden en titels al spoedig weggevallen - Lilly en Rumpke, het prachtig-geniale paar, dat aan 't hoofd van de tafel zat en dat lachend die samenkoppeling zich het welgevallen.

Sluiten