Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleeke gezichten der beide vrouwen. Hij sloot de deur en de armen over elkaar kruisend wachtte hij zwijgend z'n vonnis.

Tante Cato was opgestaan.

„Je begrijpt, dat wij gaan", zei ze met harde stem. „Het is schandelijk. Ik schaam me voor Thilde."

Thilde's oogen stonden vol tranen; zij had haar zakdoekje voor den mond gedrukt als om 't snikken te weerhouden. En Siegfried wist: voor deze vrouwen was hij niet de gevierde componist, maar 'n man, die zich vergreep aan wat zij in 'n streng moraliteitsbegrip het hoogst stelden. Als 'n zweepslag trof het hem, 'n zweepslag midden in 't gelaat. Het was, of haar pijnlijk vertrokken monden, haar ontstelde oogen hem haar afschuw toeschreeuwden. In al z'n glorie voelde hij z'n diepe vernedering. Maar z'n trots gedoogde geen berouw, zweepte hem op tot dolzinnige woede.

„Ga dan weg," siste hij, „ga dan weg. Wat heb ik te maken met ouwe-wijven-scrupules. Ik doe wat ik wil, begrijpen jullie, ik doe wat ik wil. Of denken jullie soms, dat ik me onder jullie censuur wil stellen, zijn jullie heelemaal zot".

„We gaan", herhaalde kalm nadrukkelijk tegen zijn opgewondenheid in, tante Cato, „wij gaan. We zijn zelfs al te lang gebleven. Maar als jij op die manier je roem moet koopen, dan beklaag ik je diep, jongen".

Ze deed een paar stappen naar de deur en Thilde volgde.

„Ga jij ook?" beet Siegfried haar toe, terwijl hij haar bij den pols greep, wit van kwaadheid.

Ze keek hem aan met 'n doodelijk-ontstelden blik in haar kinderoog en.

„Verwacht je hier zegen van, Sieg?" fluister-vroeg ze bevend.

Sluiten