Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar neen, voor hem behoorde dat tot het verledene. Er was trouwens te veel gebeurd om 'n terugkeer mogelijk te maken. En waarachtig, hij moest daarover ook niet gaan tobben. Hadhij al geen beroerdigheid genoeg aan z'n hersens om nu weer te gaan piekeren over godsdienstkwesties? Dat moest-ie maar voor goed als afgedaan beschouwen.

En het gelukte hem tenslotte de herinneringen aan z'n godvruchtig verleden tot zwijgen te brengen. Maar niet liet hem los de in de kerk gehoorde orgelmuziek. Hij moest erkennen: meesterlijk was dat orgelspel geweest. Doch wie was de organist? Hoe kwam het stille, vergeter» Dachau aan zoon voortreffelijk musicus? Het was 'n vraag, die hem begon te irriteeren en toen hij als gewoonüjk den eenvoudigen herberg binnentrad om z'n middagmaal te gebruiken, was het een van de eerste dingen, die hij aan de gemoedelijke, spraakzame waardin vroeg, toen zij met haar vriendelijk „Grüsz Gott" en 'n moederlijken glimlach, naar haar reeds welbekenden gast dribbelde.

En haar vleezige armen over elkander geslagen, klaar voor n lang gesprek, veronderstelde zij: dat moest kapelaan Grabinger geweest zijn, 'n buitengewoon musicus, maar, jammer genoeg ,erg ziekelijk, 'n groote, heilige geest in n zwak lichaam. En 'n wijdloopige [lofrede op den priester volgde, waarvan Siegfried nauwelijks iets hoorde.

Grabinger de naam schokte oude herinneringen

in hem wakker, riep de figuur van den tengeren, jongen geestelijke in z'n gedachte op, een van de begaafdste studenten, met z'n doorschrjnenden, was-witten ascetenkop. Hij had tegelijk met hem in Regensburg kerkelijke muziek gestudeerd, herinnerde zich hun lange gesprekken en debatten over het rhythme in de Gregoriaansche muziek, over de beteekenis van Palestrina en Bach ,• hij herinnerde zich de wijdingvolle uren van hun gezamelijk musiceeren

Sluiten